Tijdens het uitwerken van mijn visie was ik vaak daarover in gesprek. Met mensen die meedachten en doorvroegen. Die soms instemmend knikten, soms fronsten, soms iets wilden laten bezinken. Die er open voor stonden én twijfels over hadden.
Ideeën die zo fundamenteel ingrijpen in hoe we leven roepen vanzelf vragen op. Dat waren soms verduidelijkende, soms praktische, soms fundamentele vragen – waardevol om de uitwerking aan te scherpen en deze visie echt te laten landen.
Die vragen komen hieronder terug. Voor verdieping. En om het gesprek verder te voeren.
En omdat films soms meer voelbaar maken dan teksten, noem ik ter inspiratie ook enkele parels van het scherm die bij mijn visie passen.
Dit lees je het best als aanvulling op de afzonderlijke hoofdstukken van de conceptuele kaders en het handelingsperspectief, niet als een doorlopende tekst.
Deel 1: Conceptuele kaders
1. Een positief mensbeeld
Een mens verlangt naar betekenis
Verlangen mensen naar betekenis of naar geluk?
Geluk en betekenis overlappen elkaar, maar geluk heeft vaak een minder diepzinnige invulling dan betekenis.
Natuurlijk verlangen en streven we naar geluk. Niemand wil graag ongelukkig zijn. Maar geluk wordt vaak gezien of ervaren als de afwezigheid van lichamelijke of geestelijke pijn (je bent niet ziek, verdrietig of angstig) en de aanwezigheid van een positieve gemoedstoestand (je zit lekker in je vel, je geniet van plezierige momenten), vaak omdat je hebt wat je graag wilt hebben in je leven (een fijne relatie, gezonde kinderen, interessant werk, een mooi huis).
Betekenis is wat we missen als we zeggen dat we alles hebben en toch iets missen. Betekenis gaat dieper. Betekenis ervaren we door wat we met ons leven doen, door de overtuiging dat het ertoe doet. Betekenis is ook wat ons op de been houdt als ons geluksplaatje verstoord raakt.
Dus natuurlijk willen we dat ons leven aangenaam is, maar ons ultieme verlangen gaat uit naar betekenis, zingeving, het gevoel dat ons leven waardevol is. Dat is wat ons uiteindelijk voldoening geeft.
Mensen willen vaak ook ertoe doen via de weg van status, macht, rijkdom. Dat heeft niet zozeer te maken met een positieve invloed in de wereld willen hebben, toch?
Het klopt dat veel mensen status, macht of rijkdom nastreven – status om de status, macht om de macht, rijkdom om de rijkdom. Dan zoeken ze betekenis waar die niet te vinden is, zoals herhaaldelijk blijkt uit persoonlijke verhalen en psychologisch onderzoek. (Zoek dit online op en je wordt overspoeld. Maar je kunt ook op je eigen ervaring en observaties varen.) Ondanks dat mensen volgens deze maatstaven succes hebben, blijven ze leegte ervaren. Terwijl velen merken dat deze succesformule niet werkt, verlangen ze juist naar een steeds hogere dosis van dit “medicijn”. Met als bijwerking dat ze zichzelf en anderen beschadigen.
Mensen kiezen een onbevredigend, ongezond pad en blijven daarop, omdat ze geen gezond alternatief zien. Ze zien de route naar echte bevrediging niet. Waarom dit gebeurt, is een centraal thema in mijn visie.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
Een zelfondermijnende houding
We leven in strijd
Is het niet overdreven om te zeggen dat we in strijd leven? Er zijn weliswaar delen van de wereld waar oorlog of andere vormen van geweld heersen, maar om nu te beweren dat overal sprake van strijd is…
Je hebt inderdaad strijden en strijden. Gelukkig zitten de meesten van ons niet midden in een gewelddadige strijd. En we zijn natuurlijk niet in strijd met iedereen om ons heen. Maar dat neemt niet weg dat we dagelijks met een slopende strijd te maken hebben.
Want hoe vaak voelen we niet dat we onder druk staan, dat we gestrest en gespannen zijn? Hoeveel moeite moeten we niet doen om aan allerlei voorwaarden en verplichtingen te voldoen? Hoe vaak moeten we niet harder werken dan wat gezond voor ons is, om onze plek in de wereld te kunnen veroveren en veilig te kunnen stellen? En hoeveel moeten we niet bijtanken om er weer tegenaan te kunnen? Dat terwijl we steeds voor onszelf moeten opkomen en op onze hoede moeten zijn voor benadeling. Om maar te zwijgen over wanneer we ons aan het ergeren zijn aan anderen, of zelfs conflict met hen hebben omdat ze anders dan wij denken en doen.
Dat we dit niet per se als strijd zien, zegt vooral iets over hoe gewend we zijn dat ons leven zo in elkaar steekt. We zijn dit normaal gaan vinden. Het zit erg diep.
Er zijn toch ook veel organisaties en individuele mensen die vanuit solidariteit iets voor anderen doen en die aan een betere wereld werken? Doet de stelling dat we in strijd leven deze mensen niet tekort? Is het niet een kwestie van waar je de nadruk op legt?
Ja, deze mensen zijn er gelukkig ook. Maar wat ze doen is vaak eerder een bevestiging dan een tegenbewijs dat we overheersend in strijd leven. Want ze zijn in veel gevallen aan het zorgen of aan het opkomen voor de verliezers in de maatschappij, of ze proberen andere nadelige gevolgen van de sociaaleconomische strijd te beperken (verspilling en milieuschade bijvoorbeeld).
Niet dat we graag in strijd wíllen leven. Of dat we alleen maar aan het strijden zijn. Maar strijd is een zeer bepalend element in ons leven. Het is erg aanwezig. Zo aanwezig, dat zelfs wanneer we vanuit bezieling bezig zijn, we in veel gevallen nog steeds aan het strijden zijn.

Is concurrentie niet juist goed? “Concurrentie haalt het beste uit een mens naar boven.”
Dat een stelling veel herhaald wordt, betekent nog niet dat het een waarheid verkondigt. Het heeft helaas wel vaak tot gevolg dat mensen het voor waar gaan aannemen. Concurrentie heeft een sterke PR, met de sportheld en de miljardair als boegbeelden. Dat is ook nodig, om iets wat zo schadelijk is, aantrekkelijk te maken.
Concurrentie is een gigantische bron van stress en angst, met alle ongezonde gevolgen van dien. Het is ook geen geheim dat het onethisch gedrag uitlokt, zoals opzettelijke overtredingen in sport (doping, harde tackles) en fraude in de wetenschap (verzonnen data, datamanipulatie, plagiaat). Maar het gaat nog veel verder. Concurrentie zorgt voor een race to the bottom in de economie, met ontelbare schade. Het voedt ernstige sociale ongelijkheid. Het ondergraaft solidariteit, vertrouwen en verbondenheid.
Toch heerst het idee dat we van concurrentie afhankelijk zijn voor betere prestaties en meer innovaties – en vinden we blijkbaar dat alles ten dienste van prestaties moet staan. Maar concurrentie is niet de enige en zeker niet de beste manier om ons te motiveren. Onze sterkste en gezondste aanzet tot prestaties is onze eigen, intrinsieke motivatie, die het makkelijkst naar voren komt in een context van individuele vrijheid en verbondenheid. Denk aan de inzet van ouders die geen moeite sparen bij de zorg voor hun kinderen, van brandweerlieden die hun leven in elkaars handen en op het spel zetten om anderen te redden, en van wetenschappers die een heel leven aan de zoektocht naar geneeskundige doorbraken wijden.
Is strijd niet gewoon een gevolg van de menselijke natuur? Zijn mensen niet van nature competitief en egoïstisch?
Het lijkt soms alsof strijd onvermijdelijk bij ons hoort. We zien het overal om ons heen: in de economie, in de politiek, in onze carrières, op sociale media. En omdat het zo aanwezig is, lijkt het bijna vanzelfsprekend. Maar dat iets veel voorkomt, betekent niet dat het onvermijdelijk is. Het betekent vooral dat we in omstandigheden leven die dit gedrag uitlokken.
De menselijke natuur is veelzijdig. We kunnen concurreren, maar we kunnen net zo goed samenwerken, delen, zorgen, verbinden. Sterker nog: onze grootste successen als soort komen voort uit samenwerking. We floreren juist wanneer we elkaar vertrouwen en wanneer we elkaar ruimte geven.
Dat we vaak competitief gedrag laten zien, zegt dus meer over de manier waarop onze maatschappij is ingericht dan over wie we van nature zijn. Als je mensen in een systeem plaatst waarin schaarste, prestatiedruk en concurrentie centraal staan, dan gaan ze zich vanzelf defensief en competitief gedragen. Maar dat is een reactie op de omstandigheden, niet een vaststaande eigenschap.
We zijn niet van nature competitief of egoïstisch. Van nature hebben we vooral een groot potentieel. En die komt het best tot bloei in een omgeving van gelijkheid, vrijheid en verbondenheid.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
Een piramide op haar kop
Menselijke behoeftes revisited
Is de stelling dat je in materieel of financieel opzicht niet veel nodig hebt om betekenis te geven aan je leven niet wat te kort door de bocht? Je kunt hier wel degelijk een dure opleiding voor nodig hebben, of dure apparatuur, of een duur laboratorium.
Je kunt inderdaad een dure opleiding nodig hebben – of iets anders – om je leven zinvol vorm te geven. Maar je hebt naast die dure opleiding waarschijnlijk niet ook nog een groot huis, een dikke auto, merkkleding én dure vakanties nodig. Althans, niet om betekenisvol te kunnen leven. Daarnaast dienen de materiële zaken die je nodig hebt om zinvol bezig te zijn meestal ook anderen. Je bent ze niet in je eentje aan het verbruiken, zoals het bij consumptiegoederen het geval is.
Wat als iemand behoefte heeft aan een groot huis of een grote tuin omdat hij graag mensen ontvangt of omdat hij dol is op tuinieren?
Dan heeft hij behoefte aan een groot huis of een grote tuin. Dat is persoonlijk, en dat kan hij het beste zelf bepalen – ook of tuinieren per se in een eigen tuin moet of ook anders kan. Het is niet aan iemand anders om deze behoefte goed te keuren of te bekritiseren.
Sommige authentieke behoeftes hebben nu eenmaal een grotere materiële vertaling dan andere. Dat ontkracht “de piramide op haar kop” niet. De basis van de behoeftepiramide van zo’n persoon is nog steeds smaller dan wanneer zijn materiële wensen worden ingegeven door angst, kopieergedrag, compensatie voor een uitputtend leven of het verlangen naar status. Het verschil zit dus in de bron waaruit een behoefte voortkomt: intrinsieke behoeftes zijn afgebakend, extrinsieke behoeftes vragen om steeds meer.
Er zijn toch genoeg mensen die tevreden zijn met wat ze hebben? Niet iedereen is zo consumptie- of statusgericht.
Gelukkig zijn er zeker mensen die tevreden zijn met wat ze in materiële zin hebben, terwijl dat helemaal niet op een “opgeblazen” niveau zit. Of het er genoeg zijn, valt te betwisten.
De nadruk op consumptie overheerst wel degelijk in onze maatschappij (met zaken zoals vakanties en uiteten uiteraard meegeteld, want veel van wat mensen tegenwoordig als “ervaringen, geen spullen” bestempelen is nog steeds simpelweg consumptie).
Dat is ook niet wonderlijk, als we zien hoe we van alle kanten worden gestimuleerd om meer te consumeren en om status na te jagen. En hoe we consumptie ook gebruiken als compensatie voor een vermoeiend of niet bevredigend leven.
Ik kan me voorstellen dat niet iedereen zichzelf ziet als gevangen in de “materiële val” die ik beschrijf. Sommigen omdat ze dat inderdaad niet zijn, anderen omdat ze er niet bewust van zijn dat het bij hen in enige mate toch speelt. Maar hoe het bij een specifieke persoon ook zit: de uitzonderingen ontkrachten het algemene beeld niet.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
2. Een radicaal uitgangspunt
Iedereen verdient een goed leven
Verdient iedereen een goed leven? Ook moordenaars, verkrachters, kindermisbruikers, mensen die de boel grondig belazeren of simpelweg lui willen zijn en geen bijdrage willen leveren?
Ja. Iedereen verdient een goed leven. Zonder uitzonderingen. Dat we deze kerngedachte omarmen en vasthouden is niet alleen nodig om de wereld richting meer vrijheid te sturen, maar ook richting meer empathie, solidariteit en verbondenheid. Dat is juist bevorderend voor veiligheid.
Niemand pleegt misdaden voor de lol. Sommige mensen hebben aangeboren eigenschappen die het risico op agressief gedrag vergroten, zoals impulsiviteit, moeite met empathie en problemen met agressieregulatie. We hebben onze genen niet voor het kiezen. Daarnaast spelen externe factoren een grote rol in hoe gedrag zich ontwikkelt. Denk aan trauma, mishandeling, verwaarlozing en negatieve invloeden die in opvoeding en sociale omstandigheden aanwezig kunnen zijn. Daar zit meestal de oorsprong van schadelijk gedrag. We worden slachtoffers van slachtoffers.
Dit spreekt mensen niet vrij van verantwoordelijkheid voor hun misdaden (of voor lichter schadelijk gedrag), maar pleit voor empathie in hoe ze worden behandeld. Er ligt voor ons als maatschappij dan eerder een taak om iets bij iemand goed te maken – door hem ondersteuning te bieden – dan om iemand verder te beschadigen – door hem te straffen of op een andere manier een goed leven te ontzeggen. Uiteraard terwijl we verdere schade bij anderen voorkomen.
En wat als iemand “lui wil zijn en geen bijdrage wil leveren”?
Deze vraag past in een “traditie” van voor een ander invullen hoe het bij hem zit, het zit vol oordeel.
Om te beginnen: we weten niet wat in iemand anders omgaat. We weten niet waarom iemand doet wat hij doet. Dus stoppen met oordelen is best een goed idee. Daarnaast: is het aannemelijk dat iemand die gezond is, lekker in zijn vel zit en voldoende mogelijkheden voor zich ziet niets wil ondernemen? Is het aannemelijk dat – in een wereld die gericht is op iedereen een goed leven te laten hebben – iemand liever geen bijdrage levert?
En zelfs als die uitzonderingen wel bestaan: moeten we hoe we met elkaar omgaan laten bepalen door de mogelijke uitzonderingen?
Als openheid en empathie de uitgangspunten zijn – in plaats van oordeel, laat staan allerlei eisen op basis van vooroordeel – geven we elkaar ruimte. Zo voeden we ook vertrouwen en verbondenheid. Als we het tegenovergestelde doen, als we elkaar benaderen vanuit oordeel en wantrouwen, beperken we onze ruimte. Zo plegen we een aanslag op onze vrijheid en duwen we onze verbondenheid naar het domein van “wij tegen zij”.
Betekent “met evenveel recht aanspraak mogen maken op de beschikbare middelen” dat iedereen evenveel of hetzelfde zou moeten krijgen?
Nee. “Evenveel recht” betekent zeker niet dat iedereen hetzelfde of evenveel moet krijgen. Het betekent dat we onze aanspraak op de beschikbare middelen koppelen aan onze echte, intrinsieke behoeftes – en die verschillen nu eenmaal per persoon.
Is het niet naïef om te denken dat we iedereen met evenveel recht een goed leven kunnen gunnen – én dat het niet ten koste van toekomstige generaties hoeft te gaan? Dat kan de planeet toch niet aan?
Het idee dat de planeet een goed leven voor iedereen niet zou kunnen dragen is een misvatting. In het vervolg laat ik zien hoe dit beeld is ontstaan en waarom het niet klopt.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
Een achterhaald motief
Schaarste revisited
Is schaarste niet gewoon een natuurwet? Zal het niet altijd blijven spelen, en is dat niet precies waarom het als economisch uitgangspunt geldt?
Nee. Schaarste is geen natuurwet, maar een door mensen beïnvloedbare omstandigheid. Het is als economisch uitgangspunt ontstaan toen tekorten heel reëel waren en het is zo blijven hangen, ook nu we in een totaal andere situatie leven.
We hebben genoeg middelen om in onze echte, intrinsieke behoeftes te voorzien en om voluit en betekenisvol te leven. Maar we verdelen ze slecht, we benutten ze slecht en we verspillen ze massaal. Dat is geen wetmatigheid, maar een gevolg van keuzes, systemen en overtuigingen.
Tegenwoordig is schaarste dus niet iets dat ons overkomt, maar iets dat we creëren – en dus ook kunnen doorbreken.
Het is nogal een stelling dat er geen sprake van schaarste is in de wereldeconomie maar alleen van een scheve verdeling van de beschikbare middelen. Wat is de onderbouwing hiervoor?
Er is geen tekort aan wat mensen nodig hebben om comfortabel en betekenisvol te leven, mét behoud van de planeet. Dat kunnen we stellen op basis van onze enorme luxeconsumptie, onze onderbenutte voorraden (van vastgoed tot allerlei spullen en materialen), onze productiecapaciteit, de omvang van ons afval en onze technologische mogelijkheden. Maar omdat rijkdom extreem ongelijk verdeeld is, blijven overdaad, onderbenutting en verspilling naast gebrek bestaan.
Ter illustratie:
De meest in het oog springende voorbeelden van overdaad zijn de Hollywoodvilla’s, de superjachten, de privéjets. Als we zulke consumptie zouden nalaten, zou een gigantisch vermogen vrijkomen om in allerlei behoeftes te voorzien van wie nu tekortkomt. Maar hier blijft het niet bij.
Neem woningen, als voorbeeld binnen het bredere onderbenutte vastgoed. Wereldwijd staan miljoenen huizen leeg: van beleggingspanden tot tweede huizen. Om maar te zwijgen over mensen die “gewoon” erg groot wonen. We hebben dus geen tekort aan woonruimte, maar een tekort aan toegang tot de ruimte die we hebben. Daar komt nog bij dat het enorme hergebruikpotentieel van bouwmaterialen nauwelijks wordt benut.
Hetzelfde geldt voor kleding. We produceren jaarlijks meer dan honderd miljard kledingstukken, terwijl een groot deel daarvan nooit wordt gedragen en zelfs wordt vernietigd. We hebben zóveel kleding dat nieuwe productie voor een groot deel niet eens nodig is, laat staan productie op basis van nieuwe grondstoffen. Er zijn analyses die laten zien dat we genoeg textiel hebben om meerdere generaties te kleden, als we zouden herverdelen, hergebruiken en recyclen.
Het feit is dat de wereld vol ligt met spullen die nauwelijks worden gebruikt: meubels, auto’s, fietsen, apparaten, gereedschap, muziekinstrumenten, speelgoed, keukenspullen, boeken. Dat biedt volop mogelijkheden voor hergebruik, deelgebruik en recycling. Maar de overproductie, vroegtijdige afdanking en vernietiging gaan gewoon door.
Voedsel hoeft ook geen knelpunt te zijn. We kunnen al decennialang genoeg produceren om iedereen goed te voeden. Volgens de FAO is de huidige voedselproductie voldoende voor ruim tien miljard mensen, terwijl de wereldbevolking ongeveer acht miljard telt. Dat honderden miljoenen honger lijden komt dus niet door tekorten, maar door armoede, conflicten en – nogmaals – verspilling.
Kortom: herverdeling en hergebruik kunnen in enorm veel behoeftes voorzien, waardoor nieuwe productie vaak niet eens nodig is. Voor zover die nodig is, kan ze voor een belangrijk deel uit gerecyclede grondstoffen komen. Dat betekent veel lagere productieniveaus, grondstoffengebruik, energieverbruik en uitstoot, terwijl iedereen voluit kan leven.
De logische vraag is dan eerder: hoe durven we nog over schaarste te spreken?
Er wordt veel verwacht van technologische ontwikkeling. Kan technologie schaarste duurzaam verminderen?
Technologie is een krachtig instrument tegen schaarste – maar niet op de manier waarop we vaak denken. Het gaat niet om steeds meer produceren, op basis van nieuwe grondstoffen, maar om slimmer omgaan met wat we al hebben – en om productie zo efficiënt en duurzaam mogelijk te realiseren.
Door technologische ontwikkeling kunnen we:
– meer halen uit grondstoffen, door efficiëntere productieprocessen;
– materialen opnieuw gebruiken, omdat we ze beter kunnen scheiden, verwerken en recyclen;
– producten langer laten meegaan, door beter ontwerp en betere reparatiemogelijkheden;
– spullen delen en hergebruiken, dankzij digitale platforms die vraag en aanbod bij elkaar brengen;
– goederen vervaardigen met minder uitstoot en vervuiling, door schonere productieprocessen;
– schone energie opwekken, waardoor productie, hergebruik en recycling veel minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen.
Technologie maakt het dus mogelijk om met minder middelen meer waarde te creëren, en om bestaande middelen veel beter te benutten. Dat versterkt het punt dat schaarste geen onvermijdelijk feit is, maar een gevolg van hoe we onze samenleving inrichten.
Technologie kan schaarste niet volledig oplossen – daarvoor zijn ook andere maatschappelijke keuzes nodig. Maar ze geeft ons wel de middelen om dat op een duurzame manier te doen.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
Het einde van de strijd
Afrekening met de meritocratie
Doen we de meritocratie zo niet tekort? Het biedt mensen namelijk de mogelijkheid om hoger op de maatschappelijke ladder te komen op basis van hun talenten en inspanningen, in plaats van veroordeeld te zijn tot een bepaalde klasse of stand.
Historisch gezien hebben we inderdaad veel te danken aan de meritocratie. Ze heeft bijgedragen aan meer kansen en minder ongelijkheid.
Maar wat in de jaren zestig en zeventig van de afgelopen eeuw vooruitgang betekende is anno nu aan herziening toe. Want toen bevorderde het emancipatie; nu werkt het vooral als voedingsbron van strijd en als rechtvaardiging van ongelijkheid.
Hoe kunnen we er zeker van zijn dat mensen zich gaan inspannen als ze daar niet van afhankelijk zijn om het goed te hebben?
Mensen dromen niet van nietsdoen. Als je kinderen vraagt wat ze later willen worden, noemen ze allerlei beroepen die creatief, zichtbaar of spannend zijn. We hoeven er echt niet bang voor te zijn dat we juffen en meesters, dokters, artiesten, voetballers of piloten tekortkomen. Kinderen willen ertoe doen. En dat verandert niet als ze volwassen worden. Mensen willen betekenisvol bezig zijn, op welke leeftijd dan ook.
Toch hoor je volwassenen weleens praten over “niet hoeven werken” als een aanlokkelijke optie. En er zijn mensen die – althans in de ogen van anderen – niet veel bijdragen. Maar dat betekent nog niet dat mensen zich liever niet willen inspannen. Denk aan de talloze vrijwilligers, pleegouders, mantelzorgers die zich, zonder materiële beloning, met volle overgave inzetten voor een doel dat ze zinvol vinden.
Wat we niet willen is werk dat niet bij ons past, of een werklast die ons te veel is. En wat ons soms overkomt is dat we het zicht kwijtraken op wat voor ons betekenisvol is – vaak als we jarenlang gedwongen zijn geweest om ons te forceren om aan eisen te voldoen, zonder de kans om te ontdekken welke bezigheden wél bij ons passen.
De vraag is dus niet óf mensen zich willen inspannen, maar onder welke voorwaarden. We willen vrij kunnen bepalen hoe we een zinvolle invulling geven aan ons leven.
Wordt de maatschappelijke strijd in deze visie niet te veel beperkt tot een economische strijd? Veel strijd heeft te maken met verschillen in waarden, ideeën of geloof.
Onze waarden en overtuigingen geven richting aan hoe we betekenis vinden in ons leven. Ze zijn dus ontzettend belangrijk. Maar de keerzijde hiervan is dat verschillen in waarden, ideeën of geloof inderdaad aanleiding kunnen geven tot conflict, omdat we ons door zulke verschillen bedreigd kunnen voelen in wat voor ons wezenlijk is.
Tegelijkertijd zien we dat mensen eerder in conflict raken wanneer ze letterlijk in elkaars ruimte komen: wanneer ze dicht bij elkaar leven, of wanneer ze moeten concurreren om “territorium” of om middelen. Economische strijd is dus niet de enige vorm van strijd, maar het werkt wel vaak als brandstof. Het maakt verschillen scherper, emoties hoger en conflicten hardnekkiger.
Daarom verdient de economie veel aandacht. Als we de economische strijd weten te temperen, dooft ook veel van de strijd die het aanwakkert.
Maar of we nu wel of niet in de economische sfeer zitten, de insteek om elkaar ruimte te gunnen – om onszelf te kunnen zijn en onze behoeftes te kunnen bevredigen, ook wanneer ze tegen elkaar ingaan – blijft cruciaal.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
Verenigde waarden
Gelijkheid, vrijheid, verbondenheid
Zijn vrijheid en gelijkheid op maatschappelijk niveau niet wel degelijk in strijd met elkaar? Het klassieke voorbeeld is dat de overheid via belastingheffing de vrijheid van individuele burgers beperkt om gelijkheid te bevorderen.
Vrijheid en gelijkheid hoeven niet met elkaar in tegenspraak te zijn, maar ze kunnen elkaar wel onder druk zetten. Dat hangt af van hoe we deze waarden invullen.
Het klopt dat de overheid de vrijheid van burgers inperkt. Belastingen zijn daarvan het bekendste voorbeeld, maar er zijn meer regels die grenzen stellen aan wat we kunnen doen. Die ingrepen worden vaak gezien als noodzakelijk om de ongelijkheid en de schade te beperken die ontstaan wanneer vrijheid vooral wordt opgevat als: zoveel mogelijk nemen, zonder rekening te houden met anderen.
Maar dat is niet de enige manier om naar vrijheid te kijken. Als we vrijheid zien als ruimte om onszelf te kunnen zijn, in een samenleving waarin we elkaar die ruimte gunnen, ontstaat een ander beeld. Dan is gelijkheid geen beperking van vrijheid, maar een voorwaarde om iedereen vrij te laten zijn. Zo voorkomen we ook dat vrijheid iets wordt wat bevochten moet worden. Vrijheid gaat dan vaker samen met ontspanning en voldoening.
In zo’n samenleving is er minder aanleiding voor overheidsingrijpen om gelijkheid af te dwingen. Als we de maatschappelijke strijd afwerpen, valt de legitimatie voor een overheid die belast, dwingt en verbiedt weg.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
3. Fundamentele veranderingen
Zingevende vooruitzichten
Hoe onderscheid je verbeteringen binnen het bestaande kader van een echte paradigmashift?
Een paradigmashift herken je aan het uitgangspunt waarvan je vertrekt.
Verbeteringen binnen het bestaande kader gaan uit van dezelfde aannames, waarden en doelen als voorheen. Je probeert iets efficiënter, eerlijker of menselijker te maken, maar de onderliggende logica blijft intact.
Bij een paradigmashift verandert juist die onderliggende logica. Je zoekt niet langer vanuit het bestaande kader naar oplossingen, maar kijkt vanuit een ander uitgangspunt naar de werkelijkheid. Het gaat niet om optimaliseren, maar om heroriënteren: je kijkt op een andere manier naar wat een goed leven is, je kiest een andere richting en een ander eindbeeld, en zoekt manieren om daar te komen.
In het bestaande kader stel je de vraag: hoe kunnen we dit beter doen? Maar je kunt ook een stap terug doen en vragen: klopt dit uitgangspunt eigenlijk wel?
Dat is het moment waarop je in een paradigmashift stapt.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
De kunst van het grootbrengen
Ontdekkend opvoeden en onderwijzen
Leidt opvoeding in vrijheid niet tot verwende kinderen die denken dat de wereld om hen draait?
Nee. Verwende kinderen zijn kinderen die altijd hun zin krijgen, ook als dat ten koste gaat van anderen. Dit gebeurt wanneer de relatie tussen ouders en kinderen niet in balans is – niet omdat de ouders autoritair zijn, maar omdat ze hun eigen grenzen niet aangeven. Ze wringen zich in alle bochten om te doen wat hun kinderen willen. Ze offeren zich op. Ze cijferen zich weg.
Dat kinderen in vrijheid opgroeien en het vertrekpunt zijn bij hun eigen ontwikkeling betekent niet dat alles wat zij willen mogelijk moet zijn. Niet alles kan, en dat is normaal. Het is alleen maar gezond dat kinderen leren omgaan met de wensen en mogelijkheden van anderen mensen.
Is een zekere mate van ongelijkheid tussen ouders en kinderen niet nodig en zelfs inherent?
Zeker. Ongelijkheid tussen ouders en kinderen is een feit. Kinderen hebben zorg nodig en zijn hiervoor afhankelijk van hun ouders. Daar zit niets autoritairs in. Niemand zal zeggen dat hij een “nare vader had die hem tot tandenpoetsen dwong” of een “gewelddadige moeder die hem bij zijn kraag vastpakte toen hij bijna van de trap viel”.
Het gaat erom dat deze afhankelijkheid niet wordt “misbruikt”. Dat de behoeftes van het kind even belangrijk worden gevonden als die van de ouders. Dat er afstemming plaatsvindt. En dat ouders hun waarden, opvattingen, voorkeuren en gewoontes niet aan kinderen opdringen.
Blijf je met open communicatie niet eindeloos met kinderen in discussie? Dat kan erg vermoeiend zijn.
Ja en nee. Het is ontzettend belangrijk om met kinderen in gesprek te blijven: om behoeftes op elkaar af te stemmen, om keuzes uit te leggen, en om een gezonde relatie op te bouwen. Dat bereidt ze ook voor op het verdere leven. Maar dit betekent niet dat je hier de hele tijd mee bezig bent. Op een bepaald moment is veel al uitgelegd en afgestemd. Die investering loont – en voorkomt veel strijd en schade.
Het is verleidelijk om vanuit een autoriteitspositie met kinderen te praten, zeker in een druk leven. Als je iets oplegt, krijg je sneller wat je wilt. (Behalve als kinderen in opstand komen – dan krijg je ruzie.) Als je in gesprek gaat, ben je kwetsbaarder. Een verzoek kan worden beantwoord met “ja”, “nee”, “straks” of “niet op deze manier”. En op jouw “nee” kan om toelichting worden gevraagd. Deze afstemming hoeft niet eindeloos te duren, maar dát het gebeurt voorziet in een van de belangrijkste elementen van opvoeding: kinderen op een gezonde manier met grenzen leren omgaan.
Eindeloze discussies zijn geen onlosmakelijke eigenschap van open communicatie. Ze ontstaan door karaktereigenschappen, door de communicatiestijl van volwassenen, en doordat onderliggende kwesties niet worden aangepakt. Open communicatie verwerpen vanwege eindeloze discussies is een gevalletje “kind met het badwater weggooien”.
Leidt onderwijs met het kind als vertrekpunt niet tot chaos, als ieder kind iets heel anders aan het doen is?
Dit leidt zeker tot een veel gevarieerder “landschap”, maar verder juist tot veel rust. Een kind dat dicht bij zichzelf kan blijven en kan doen wat voor hem echt klopt, ervaart namelijk veel meer voldoening, verzadiging en rust. Nu bungelen veel kinderen tussen oververmoeidheid en onverzadigbaarheid, omdat een groot deel van hun overvolle programma bestaat uit verplichtingen en een ander deel uit “leuk” dat het net niet helemaal doet.
Zoals het nu geregeld is, ziet het onderwijs er weliswaar ordentelijk uit: kinderen zitten het grootste deel van de week het grootste deel van de dag op school. Maar de vraag is of – als het gaat om het welzijn en de ontwikkeling van kinderen – de prioriteit wel echt moet liggen bij wat praktisch, kostenbesparend en ordentelijk is.
Een gevarieerder landschap betekent bovendien niet dat er geen onderwijsaanbod kan zijn dat voor veel kinderen geschikt is. Er is tenslotte ook veel overlap in wat kinderen interesseert, wat goed voor hen werkt en wat ze graag willen doen. In die zin is het heel goed mogelijk om meerdere kinderen tegelijkertijd te bedienen met een activiteit of een leervraag. Net zoals iemand beschikbaar kan zijn voor kinderen die in elkaars buurt zijn, maar totaal verschillende dingen doen.
Er ontstaat dus meer variatie, maar niet per se chaos.
Is dit niet een hoop werk, steeds moeten kijken naar wat bij een kind past en dat moeten regelen?
Niet per se. Veel gaat vanzelf. Je merkt al snel of een kind graag actief is of juist rustig bezig wil zijn, of hij van tekenen houdt, van bouwen, van klimmen, van spelen met anderen of van alleen zijn. In die zin is het vaak meer een kwestie van honoreren dan van regelen.
Naarmate een kind ouder wordt is het wel belangrijk dat hij steeds meer in contact komt met wat de wereld te bieden heeft – om te ontdekken wat hem aanspreekt en om zich verder te ontwikkelen. Dan komt er wat meer regelwerk bij kijken. Maar dat betekent niet dat ouders voortdurend aan het regelen zijn. Iets wat eenmaal geregeld is werkt meestal een tijd door. En van daaruit kunnen nieuwe dingen ontstaan, zonder dat je daar steeds bewust naar op zoek hoeft te gaan of iets voor moet doen.
Zijn ouders in staat hun kind te begeleiden naar geschikt onderwijs? Niet alle ouders zijn even communicatief of cognitief ontwikkeld.
Ontdekkend opvoeden en onderwijzen gaat vooral over hoe je een kind benadert: met nieuwsgierigheid, openheid en ruimte – niet vanuit een beeld van hoe het allemaal zou moeten, hoe een kind zich zou moeten gedragen, of wat hij op een bepaalde leeftijd zou moeten leren of kunnen.
Het klopt dat niet iedere ouder even nieuwsgierig of communicatief is. Maar het scheelt al enorm als een ouder niet autoritair, voorschrijvend of inperkend is.
De mate waarin ouders dat wel of niet zijn, wordt bovendien sterk beïnvloed door wat de maatschappelijke norm is. Dus als die norm verandert, verandert de houding van ouders mee.
En ook al is cognitieve ontwikkeling zeer waardevol, de basis voor een goede relatie – zeker met kinderen – is je houding en je uitstraling.
Verder hoeven nieuwsgierigheid naar kinderen en aandacht voor hun ontwikkelingsmogelijkheden niet alleen van de ouders te komen. Ouders hoeven sowieso niet alles zelf te doen.
Hoe gaan we dit allemaal organiseren? Hoe gaan we de mogelijkheden ontdekken?
We hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden. Veel activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden voor kinderen bestaan al. Scholen hoeven ook niet te verdwijnen. Als ze maar vanuit een ander vertrekpunt functioneren: niet opleggen, maar faciliteren, mogelijkheden laten zien en creëren.
Nieuwe mogelijkheden ontdekken we door in contact met elkaar te komen – rechtstreeks, via sociale media, via zoekmachines of via speciaal hiervoor ontwikkelde platforms (bijvoorbeeld à la Marktplaats, maar dan niet alleen met de nadruk op het onderwijsaanbod, maar ook op de vraag). Of op manieren die we nu nog niet kennen en die ik niet kan verzinnen, maar anderen ongetwijfeld wel. Een beetje zoals we nu dingen vinden, maar dan terwijl we naar andere dingen op zoek zijn.
En vaak leidt het ene vanzelf tot het andere. We hoeven niet voortdurend actief op zoek te zijn.
Wie gaat al deze persoonlijke aandacht aan kinderen geven? Waar halen we de tijd vandaan?
Het is evident dat in een klas van dertig leerlingen geen sprake is van persoonlijke aandacht. En dat persoonlijke aandacht letterlijk meer aandacht vergt – en dus meer mensen om deze te geven, ook bij groepsactiviteiten. Tegelijkertijd zijn er veel mensen die het fijn, boeiend en betekenisvol vinden om contact met kinderen te hebben, om ze iets te leren, te begeleiden of iets samen met hen te doen. Naast de mensen die nu al met kinderen werken – leraren, begeleiders, coaches, therapeuten – is er een grote groep die dat ook graag doet. Bij meer variëteit en flexibiliteit in wat voor kinderen mogelijk is hoort meer variëteit en flexibiliteit in wie erbij betrokken wordt en hoe.
Dit betekent dus dat een breder palet aan mensen betrokken raakt bij de opvang en de ontwikkeling van kinderen. (En nee, we hoeven niet allemaal in een commune te wonen en een kind hoeft niet de hele dag van plek naar plek te hoppen). Het ene kind heeft misschien in een bepaalde periode vooral met twee volwassenen te maken, het andere met twintig – maar waar het om gaat, is dat het de goede twee zijn en de goede twintig. De nadruk komt dus meer te liggen op match en affiniteit. De ene kunstenaar vindt het misschien prima om een paar kinderen zelfstandig te laten werken in zijn atelier terwijl hij zelf aan het werken is. Een andere werkt graag alleen in een stille ruimte, maar wil wel voor een paar uur per week één of meerdere kinderen intensief begeleiden. Opa en oma hebben misschien niet zoveel zin om iedere woensdagmiddag op te passen, maar nemen de kleinkinderen graag mee als ze gaan kamperen. De buurman vindt het juist heerlijk om kinderen vaak over de vloer te hebben en als die mee willen doen met tuinieren is het helemaal feest.
Er is al veel mogelijk – vaak recht voor onze neus. Er is veel bereidwilligheid en beschikbaarheid. Die worden alleen vaak niet benut, omdat we te veel in hokjes denken of omdat we mensen “niet willen lastigvallen”.
Daarnaast ontstaan er veel meer mogelijkheden naarmate we onze echte behoeftes leidend laten zijn in ons leven en de economie meer voor ons laten werken, in plaats van dat we voortdurend aan de eisen van de huidige economie moeten voldoen.
Er is weinig belangrijkers en dankbaarders dan kinderen zo goed mogelijk te laten opgroeien en zich zo goed mogelijk te laten ontwikkelen. Daarmee leggen we de basis voor een gezonde en gulle samenleving. En een samenleving waarin mensen hun echte behoeftes kennen heeft per definitie tijd en middelen voor wat echt belangrijk is.
Zouden kinderen dan niets missen, als ze niet volgens een curriculum onderwezen worden?
De vraag of kinderen “dan” niets zouden missen suggereert dat kinderen “nu” niets missen – of alles leren wat belangrijk voor hen is. Maar die suggestie klopt niet. Veel van wat in het curriculum staat – even los van de relevantie ervan – wordt niet echt geleerd. Veel leren kinderen voor een toets en daarna wordt het grotendeels – zo niet helemaal – vergeten. En veel komt niet eens zo ver. Tegelijkertijd missen kinderen nu juist een heleboel wat ze wél graag zouden willen leren, doen of beleven, en een heleboel wat wél zou blijven plakken en nut zou hebben in hun latere leven. Om nog maar te zwijgen over de slechte prestaties van het huidige onderwijssysteem als het gaat om basisvaardigheden zoals lezen, schrijven en rekenen.
Het huidige onderwijssysteem heeft een obsessie met het moment waarop iets geleerd moet worden, en zendt alarmerende berichten over achterstanden – soms zelfs over achterstanden die “niet meer in te halen” zouden zijn. Maar achterstand bestaat alleen in vergelijking met een norm die iemand bedacht heeft, of in vergelijking met anderen. Niet als je jezelf als vertrekpunt neemt. Dan kun je hooguit nog niet zo goed gitaar spelen als je zou willen, en ga je meer oefenen om daar beter in te worden.
Het kan natuurlijk gebeuren dat je op een bepaald moment iets mist, ook als je vooral vanuit je eigen motivatie leert. Dan is dat simpelweg het moment waarop je weer iets nieuws gaat leren. Of waarop je iemand zoekt die jou kan helpen met iets wat jij niet kunt, maar die ander juist uitstekend. Lang leve de verscheidenheid tussen mensen. Maar het doorslaggevende punt is: wat je uit eigen wil leert, leer je echt. En als je in het leven leert – in plaats van daarvan afgezonderd – kom je vanzelf tegen wat je nodig hebt om te kunnen doen wat jij wilt doen.
Hoe waarborg je dat kinderen basisvaardigheden zoals lezen, schrijven en rekenen, leren? Daarvan is ook bekend dat als je het op latere leeftijd leert, het veel moeizamer gaat. Moet je dit desnoods niet opleggen?
Als het belangrijk voor kinderen is om iets te leren omdat het een basisvaardigheid is om veel andere dingen te kunnen, dan komen ze daar snel genoeg achter. Dat geldt zeker voor lezen, schrijven en rekenen – helemaal als kinderen meer in contact komen met het echte leven. Dat neemt niet weg dat volwassenen kinderen kunnen wijzen op nuttige dingen om te leren en hen kunnen stimuleren om dat te doen. Bijvoorbeeld door ze het nut en de aantrekkelijkheid daarvan te laten ervaren.
Verder is het vooral belangrijk dat een kind op een manier kan leren die bij hem past. Als er een gebied is waarop persoonlijke aandacht en een persoonlijke aanpak wonderen kunnen doen, dan is het wel bij het leren van basisvaardigheden.
Er is zeker een pleidooi te houden om kinderen op jonge leeftijd aan te moedigen om bepaalde vaardigheden te leren. Dat heeft te maken met neuroplasticiteit: de mate waarin nieuwe verbindingen tussen onze hersencellen worden aangemaakt. Het kinderbrein heeft meer neuroplasticiteit, waardoor het makkelijker leert.
Maar er zijn ook andere belangrijke factoren die bepalen hoe makkelijk een kind iets leert: motivatie, concentratievermogen, geduld, doorzettingsvermogen en context. Ook deze factoren ontwikkelen zich in de loop van ons leven, vaak in positieve zin.
Dat het gunstiger kan zijn om sommige dingen jong te leren, betekent dus nog niet dat ze dit koste wat kost op een bepaalde leeftijd móeten leren, laat staan onder dwang. Onder dwang leren is niet alleen ineffectief; het kan er ook toe leiden dat kinderen een hekel aan leren krijgen of – als ze niet kunnen voldoen aan de verwachtingen – aan zichzelf gaan twijfelen en in termen van “ik ben slecht in…” of “ik kan niet…” gaan denken. Om maar te zwijgen over het gesteggel dat het oplevert.
Ter vergelijking. De vruchtbaarheid van vrouwen is over het algemeen het hoogst tussen de late tienerjaren en midden twintig. In deze periode is de kans op een natuurlijke zwangerschap het grootst, en zijn miskramen en complicaties minder waarschijnlijk. Maar dit is geen reden om tienerzwangerschappen te stimuleren, of om vrouwen te laten denken dat ze echt vóór hun 25ste zwanger moeten worden. Andere factoren spelen een rol: de wens om eerst een opleiding af te maken of een carrière te beginnen, de aanwezigheid van een partner met wie je een kind zou willen krijgen, en simpelweg het gevoel dat je eraan toe bent. De medische wereld kan vrouwen bovendien steeds beter ondersteunen, en kinderen ondervinden niet per se nadeel van een iets oudere moeder – vaak juist het tegenovergestelde.
Ons leven wordt niet helemaal gedicteerd door onze biologie. Dus ook als het om leren gaat, en om de ontwikkeling van een kind, is er alle reden voor meer ontspanning.
Wat als een kind van nature enigszins apathisch is en blijkbaar niets wil? Moet je als ouder niet wat sturender worden, om je kind in beweging te krijgen?
Dat is in ieder geval geen reden om voor een kind te gaan bepalen wat hij zou moeten doen. Maar zo’n kind kun je uiteraard uitnodigen om dingen te doen, om daar kennis mee te maken (net zoals je dat bij kinderen die niet “apathisch” zijn ook doet). Je kunt activiteiten aantrekkelijker proberen te maken en dan zien of iets aanslaat. Belangrijk is dat dit op een ontspannen manier gebeurt, niet vanuit het idee dat iets opgelost moet worden. Wie weet wat er in die “apathie” allemaal gaande is.
Ik moet denken aan Benjamin, uit de aflevering van het tv-programma Andere Tijden over Iederwijs – een onderwijsvorm die van 2002 tot 2013 in een aantal Nederlandse scholen werd toegepast en waarin de interesses en wensen van ieder kind centraal stonden. Op zo’n school zat Benjamin vaak alleen, op een rustig plekje, zonder (in ieder geval zichtbaar) iets te doen. Daar had hij op die momenten gewoon behoefte aan. Er werd wel gevraagd of hij oké was, of hij misschien iets anders wilde. Maar dat was het dan. Blijkbaar wilde hij met rust gelaten worden. Verder had hij een grote interesse in raketten en zat hij met een vriendje dingen uit elkaar te halen. Hij leerde trouwens pas op zijn tiende lezen, toen hij een spelletje wilde spelen waarvoor hij moest kunnen lezen. Op het moment dat het programma werd gemaakt volgde hij de opleiding Data Science en kwam hij erg ontspannen over. Het is dus toch “goed gekomen” met hem.
Wat als een kind (alleen maar) ongezonde dingen wil doen? En wat als kinderen alleen maar willen spelen, gamen of met hun smartphone bezig zijn? Misschien zijn kinderen toch niet zo nieuwsgierig en leergierig.
Gezonde keuzes maken is niet zo simpel. Je moet weten wat wel of niet gezond is, je moet de gezonde keuze willen maken en je moet in staat zijn om die keuze te maken. Dat gaat vaak mis – niet alleen bij kinderen. Maar als kinderen ongezonde keuzes maken, horen opvoeders dit zeker bij te sturen. Dat is onderdeel van de zorg voor kinderen. Maar ook dan is het verstandig om dwang en verbod pas als laatste middelen in te zetten. Dat scheelt een hoop drama – en relatieschade. Als een kind evident ongezonde neigingen heeft, is de noodzaak om hem kennis te laten maken met andere mogelijkheden nog veel groter. Dan haal je alles uit je gereedschapskist om dit kind richting andere mogelijkheden te begeleiden: je gaat met hem in gesprek, je probeert te achterhalen wat de oorzaak van de ongezonde keuzes is, je laat hem nieuwe dingen ontdekken en uitproberen, je stimuleert, begeleidt, steunt. Ik schrijf bewust “evident ongezond”, omdat enige behoedzaamheid voordat je iets tot ongezond of onverstandig bombardeert heel gezond is.
Volwassenen zien spelen als leuk en gezond, maar niet zozeer als nuttig. Deze perceptie leidt ook tot uitspraken zoals “kinderen willen alleen spelen, ze willen niets leren”. Maar spelen en leren staan niet los van elkaar. Voor kinderen is spelen juist een van de krachtigste manieren om te leren. Door te spelen ontdekken ze de wereld om hen heen, ontwikkelen ze sociale vaardigheden, leren ze problemen oplossen en bouwen ze aan hun creativiteit en zelfvertrouwen. Het is niet zozeer dat kinderen niet willen leren, maar dat leren voor hen vaak een natuurlijke en plezierige activiteit is wanneer het verweven is met spel.
Ook heerst het beeld dat kinderen alleen maar willen gamen, op de smartphone willen spelen of met chatten en sociale media bezig willen zijn. Kinderen besteden inderdaad veel tijd aan deze activiteiten, met mogelijk ongezonde gevolgen voor hun ogen, hoofd en geest. Maar de vraag is waarom kinderen dat doen. Daar zijn veel redenen voor. Gamen en sociale media zorgen voor een dopamineboost, wat gevoelens van plezier en beloning veroorzaakt. De industrie speelt hier bewust op in, om deze producten verslavend te maken en er veel geld aan te verdienen. Zo bieden games en smartphones ook een compensatie voor dagelijkse verplichtingen en stress, zoals school, druk door school en sociale druk. Maar online platforms en games bieden kinderen ook ruimte om te experimenteren met verschillende aspecten van zichzelf, en om hun vaardigheden en hun identiteit te ontwikkelen.
Er zijn dus allerlei redenen om kinderen goed te blijven begeleiden, maar het is niet allemaal óf goed óf slecht. En de gouden vraag blijft: zijn kinderen zus of zo, of maakt de wereld waarin we leven kinderen zus of zo?
Impliceert opvoeding in vrijheid dat ouders geen verantwoordelijkheid dragen voor het gedrag van hun kinderen? Kun je erop vertrouwen dat kinderen vanzelf leren omgaan met de grenzen van anderen? Hoever strekt je taak als ouder als je merkt dat anderen last hebben van je kind?
Ouders zijn primair verantwoordelijk voor hun kinderen. Dat is onderdeel van hun zorgtaak.
Hoe kinderen door hun ouders behandeld worden en welke voorbeelden ze krijgen heeft grote invloed op hun gedrag – ook op hoe ze met anderen omgaan. Maar het is niet nodig en niet eens heilzaam dat ouders op basis van hun eigen normen en waarden vooraf bepalen wat er mag gebeuren in het contact van hun kinderen met anderen. In de omgang met anderen ontdekken kinderen vanzelf wat wel of niet goed uitpakt. Ze leren met anderen tot afstemming te komen en hun gedrag bij te stellen. Zo ontdekken ze ook dat Jantje iets wel prima vindt, maar Pietje niet.
Maar er kunnen natuurlijk situaties ontstaan waarin het niet vanzelf “goed gaat” en je kind in de problemen komt of dreigt te komen. Dan heb je als ouder uiteraard een taak om hem te beschermen en verder te begeleiden. Hetzelfde geldt wanneer je kind iemand lastigvalt die niet goed in staat is zijn grenzen aan te geven. Dan kun je die ander uiteraard ook te hulp schieten. En je kunt sowieso ingrijpen om te voorkomen dat het gedrag van je kind tegenover anderen jouw grenzen overschrijdt.
De nadruk ligt op deze manier dus niet op het van tevoren bepalen wat wel of niet mag in de relatie met anderen, maar op het begeleiden van een kind in zijn omgang met anderen. Dat leidt tot meer nadruk op communicatie en afstemming, en minder op opgelegde regels. Zo beperk je een kind zo min mogelijk en laat je hem leren omgaan met de verschillen tussen mensen.
Wat als je helemaal niks met kinderen hebt? Word je door hun bredere aanwezigheid in de maatschappij gedwongen om toch met ze om te gaan óf om als een kluizenaar te leven?
Natuurlijk niet. Dan hoef je niets met kinderen te doen. Dan werk je op een plek waar kinderen niet aanwezig zijn. Ze kunnen sowieso niet overal en altijd rondlopen. Je komt ze misschien wel vaker tegen, want ze worden niet meer weggestopt, maar zo heftig is dat toch niet? Je kunt zelfs gave dingen voor kinderen doen zonder dat je affiniteit of contact met ze hebt, naar het voorbeeld van kinderboekenschrijver Annie M.G. Schmidt: “Ik zal ze niet schoppen als ik ze tegenkom, maar ik ben niet speciaal dol op kinderen.”
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
De kunst van het groots zijn
Een echt vrije economie
Is dit een pleidooi tegen economische groei, of misschien zelfs voor krimp?
Dit is een pleidooi om economische groei – of rijker worden – niet langer als doel op zich te zien. Als de economie gericht is op behoeftebevrediging, dan is groei of krimp simpelweg een gevolg daarvan. Als we genoeg hebben om onze behoeftes te bevredigen, is er geen groei nodig. Hebben we te weinig, dan is er aanleiding om meer te produceren. Hebben we meer dan genoeg, dan kunnen we minder produceren.
Dit punt raakt de mythe van de oneindige behoeftes, de stelling dat we nooit genoeg hebben – en dus per definitie altijd meer economische groei nodig hebben. Maar dat is dus een mythe, een vergissing, een ontsporing. Op een bepaald moment hebben we wel genoeg om in onze echte behoeftes te voorzien, om te kunnen doen wat belangrijk voor ons is, om te kunnen leven op een bevredigende en betekenisvolle manier.
Je kunt stellen dat meer altijd beter is, maar dat is een misvatting. Omdat meer – meer economische groei, meer productie – nooit gratis is. En het gaat uiteindelijk ten koste van wat belangrijk voor ons is. Als we meer willen produceren – om consumptie mogelijk te maken die niet zo belangrijk is – moeten we daar een deel van onze beperkte middelen in steken, en een deel van onze beperkte tijd, energie, aandacht. Dat alles wordt dus niet gericht op wat belangrijk is, voor onszelf of voor iemand anders.
Dit brengt ons tot een noodzakelijke afweging, tot keuzes maken. Denk aan de keuze tussen meer produceren of meer aandacht besteden aan je kinderen, of aan je gezondheid, of aan je passie.
Mijn visie is dus vooral een pleidooi voor focus: focus op wat we echt belangrijk vinden. Want dat is wat minder ruimte krijgt als we verdwalen in wat niet belangrijk is.
Is dit een pleidooi voor zo min mogelijk consumeren?
Nee. Dit is een pleidooi voor bewust consumeren: consumeren in lijn met onze echte behoeftes en met wat de planeet duurzaam kan dragen.
Als we consumeren wat we werkelijk nodig hebben om goed te leven, hoeven we onszelf niets te ontzeggen. We laten alleen het idee los dat consumptie altijd maar moet groeien. Want meer is niet automatisch beter: het kost ons veel en het leidt ons af van wat echt belangrijk voor ons is.
Bewust consumeren betekent dus niet minder prettig leven, maar gericht en betekenisvol – op een manier die goed is voor onszelf, voor anderen én voor toekomstige generaties.
Hoe weet je wat een echte behoefte is?
Wat een echte behoefte is, kun je alleen voor jezelf bepalen. Niemand anders kan dat voor je doen. Een echte behoefte komt van binnenuit: het verrijkt je leven, het draagt bij aan wie je bent en aan hoe je wilt leven. Het is geen impuls, gewoonte, compensatie of reactie op druk van buitenaf. Het klopt met je waarden, met je karakter en met wat je belangrijk vindt.
Het onderscheid tussen een echte behoefte en iets wat erop lijkt merk je meestal aan wat je voelt als je zo’n behoefte vervult. Als je je echte behoeftes vervult, krijg je rust, helderheid en richting. Dat maakt je leven eenvoudiger in plaats van ingewikkelder. Het geeft energie in plaats van dat het energie opslokt. En het past bij je, ook als niemand kijkt.
Behoeftes die niet echt zijn voelen anders. Ze komen vaak voort uit angst, stress, statusdruk, vergelijking of de behoefte om iets te compenseren. Als je ze vervult, voel je even opluchting of opwinding, maar daarna blijft er onrust of leegte achter. Daardoor wil je al snel méér, zonder dat dit je verder helpt.
Je ontdekt je echte behoeftes door stil te staan bij jezelf: bij wat je leven lichter maakt, bij wat je energie geeft, bij wat je betekenisvol vindt. Door te merken wanneer iets je ontspant en wanneer iets je juist opjaagt. Door te luisteren naar wat je verlangt wanneer je niet wordt beïnvloed door verwachtingen, reclame, vergelijking of angst. Dus vooral: door jezelf, precies zoals jij bent, te omarmen.
Zullen sommige behoeftes niet altijd tegen beperkingen aanlopen? We kunnen bijvoorbeeld niet de hele wereld in een groot huis aan het strand laten wonen. Ook niet in een klein huis.
Dat klopt. Maar de vraag is vooral in hoeverre dit nodig is. Want niet iedereen houdt van strand en niet iedereen houdt van groot. En zelfs als je van strand houdt, is het nog steeds de vraag of het voor jou belangrijk of zelfs praktisch is om aan het strand te wonen.
Het probleem is dat van alles meelift met de huidige vraag naar woningen. Een koopwoning staat voor financiële veiligheid. Een groot huis staat voor status. En woningen fungeren vaak als beleggingsobjecten. Daardoor stellen mensen heel andere eisen aan een woning dan wanneer ze alleen zouden nagaan wat voor hen functioneel en aangenaam is.
Als we bewuster naar onze behoeftes kijken en veel mensen blijken graag tijd aan het strand door te brengen, dan kan het aanbod zich daarop aanpassen. Er kunnen bijvoorbeeld meer mogelijkheden ontstaan om tijdelijk aan het strand te verblijven. Dan verdwijnt het gevecht om een plek aan het strand permanent te bezetten.
Daarnaast geldt dat we elkaar meer gunnen als we het zelf goed hebben, als we kunnen focussen op wat belangrijk voor ons is en als de waarden van de samenleving overeenkomen met onze eigen waarden.
Als je te krap woont in een armoedige wijk, kan het aanzien van een villa aan het strand pijn doen – zelfs als je niet van strand houdt of niet zoveel ruimte nodig hebt. Dan staat die villa vooral voor het idee dat sommige mensen het beter verdienen te hebben dan anderen – zelfs overdreven beter.
Maar als je lekker zit waar je zit, zit je er niet mee als iemand anders het groter of mooier heeft. Als je kunt leven zoals je wilt en doen wat je belangrijk vindt, ben je veel minder gevoelig voor vergelijkingen.
Dan ligt je focus ergens anders. Helemaal als je erop kunt vertrouwen dat je onderdeel bent van een samenleving waar mensen het beste met elkaar voorhebben.
Wat als behoeftes botsen?
Behoeftes kunnen soms botsen, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Het betekent niet dat iemand ongelijk heeft of dat één behoefte belangrijker is dan de andere. Het betekent alleen dat mensen verschillende dingen nodig hebben. Dat hoort erbij. We verschillen nu eenmaal van elkaar.
In een samenleving waarin we elkaar het beste gunnen wordt zo’n botsing geen strijd. Dan gaat het er niet om wie er “wint”, maar om hoe we samen zoeken naar een vorm die voor iedereen werkt. Je gaat in gesprek, je luistert naar wat de ander nodig heeft, zonder het meteen te beoordelen of te vergelijken met je eigen behoefte. Soms kun je iets aanpassen, soms kun je iets afstemmen, soms kun je elkaar afwisselen. Vaak blijkt dat er meer ruimte is dan je dacht.
Soms ontdek je dat een botsing van behoeftes door omstandigheden komt: vermoeidheid, stress, miscommunicatie, oude patronen. Als die spanning wegvalt, valt de botsing grotendeels weg.
Het belangrijkste is dat we onze behoeftes niet meer zien als aanleiding of legitimatie om tegenover elkaar te staan. Dat behoeftes botsen betekent niet dat mensen dat ook moeten doen. Als we dit uitgangspunt delen, kunnen we bijna altijd een manier vinden waarop iedereen tot zijn recht komt.
Als het ruilprincipe niet geldt, hoe voorkom je dan freeridergedrag? Dus dat mensen profiteren van andermans inspanningen zonder zelf een bijdrage te leveren aan de economie. Kan dit soort gedrag niet tot conflicten leiden of zelfs het hele systeem ondergraven?
In een samenleving waar mensen elkaar een goed leven gunnen zonder daar voorwaarden aan te verbinden hoef je niet bang te zijn voor freeridergedrag. Het ontstaat normaal gesproken niet.
Freeridergedrag is een bijproduct van samenlevingen waarin mensen tegenover elkaar staan, waarin voordeel een belangrijke drijfveer is en waarin men zich geregeld benadeeld voelt. In zo’n context kunnen sommigen inderdaad proberen te profiteren zonder bij te dragen. Maar in een samenleving waar andere waarden voorop staan is dit niet het gedrag dat mensen vertonen.
Een mens wil uit zichzelf van waarde zijn voor de wereld om hem heen. We willen dat ons bestaan iets toevoegt. We willen van betekenis zijn. Uit onszelf leveren we dus graag een bijdrage – zeker als we vrij zijn in wat we bijdragen en hoe we dat doen. Dat sluit niet uit dat we, vanuit een besef van nut en noodzaak, ook bereid zijn dingen te doen die we minder graag doen. Als we maar niet veroordeeld zijn tot alleen maar dat te doen. Als ons leven maar in balans is.
Als je opgroeit en verder leeft in een context waarin je het beste wordt gegund, ontwikkel je niet zomaar de neiging om misbruik te maken van die situatie. Integendeel: je ontwikkelt waardering voor de mensen om je heen en je voelt je verbonden met je omgeving. Als je ziet dat anderen bezig zijn er het beste van te maken voor iedereen, krijg je niet de neiging om achterover te leunen – dan wil je meedoen. Dat zien we nu al in situaties waarin saamhorigheid heerst.
Als we het ruilprincipe loslaten, kan het in uitzonderlijke situaties zijn dat sommige mensen geen of slechts een geringe bijdrage leveren (al hangt dat ook af van wat we als bijdrage beschouwen). Maar daardoor wordt een echt vrije economie niet zomaar ondergraven. De meeste mensen zullen immers wel bijdragen. En dat sommige mensen dat niet doen hoeft geen reden voor conflict te zijn. Er zijn andere reacties mogelijk: in gesprek gaan, proberen te begrijpen, aanmoedigen, steunen – en soms gewoon accepteren dat we niet altijd zullen begrijpen wat er in iemand anders omgaat.
Zijn er dan geen vervelende klusjes die echt niemand wil doen terwijl ze wel nodig zijn?
Misschien niet. Mensen verschillen enorm van elkaar, en wat de één vervelend vindt, vindt een ander prima te doen. Maar als er toch klusjes blijken te zijn die niemand graag doet, dan hebben we de oplossing al lang uitgevonden: gewoon eerlijk verdelen. Het liefst op een manier die rekening houdt met wie er het minst tegen opziet. Nog steeds op vrijwillige basis.
We vinden het meestal niet erg om iets te doen wat we minder leuk vinden, zolang het maar af en toe is en we niet veroordeeld zijn tot vooral dát te doen. Als ons leven in balans is, kunnen we best iets op ons nemen dat niet onze voorkeur heeft.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
4. Een ultieme voorstelling
De omgekeerde oorlog
De omgekeerde oorlog vraagt om verbeelding. Daarom noem ik hier ter inspiratie films die de intensiteit, verbondenheid en menselijke grootsheid die daarbij horen voelbaar maken. Ze laten mijn ideaalbeeld niet letterlijk zien, maar raken wel de emotionele kern ervan.
The Imitation Game (2014)
Een film die laat zien hoe extreme focus, uitzonderlijk denkvermogen en intensieve samenwerking tot baanbrekende innovatie kunnen leiden. In dit geval om een beslissende wending te forceren in de brute strijd van de Tweede Wereldoorlog.
Hidden Figures (2016)
Een verhaal over hoe een gezamenlijke missie mensen boven zichzelf en diepgewortelde vooroordelen uittilt. Een voorbeeld uit de Koude Oorlog van hoe talent, moed en doorzettingsvermogen de grenzen van ons kunnen uitdagen.
A Beautiful Mind (2001)
Een portret van een briljante geest die – ondanks een ontwrichtende ziekte – met wiskundige helderheid blootlegt hoe samenwerking concurrentie overtreft. Een aangrijpende inkijk in hoe intrinsieke motivatie en persoonlijke steun elkaar cruciaal kunnen versterken.
Pray the Devil Back to Hell (2012)
Een rauwe maar hoopvolle documentaire over moedige moeders die weigeren zich neer te leggen bij geweld en verdeeldheid. Met creativiteit en een ongelooflijke vasthoudendheid vormen zij een vreedzame beweging die een verwoestende burgeroorlog tot een einde dwingt. Een ontroerende les, met een vleugje humor, in wat een overtuigende keuze voor verbinding mogelijk maakt.
Made in Dagenham (2010)
Een hartverwarmend verhaal over gewone mensen – fabrieksvrouwen – die geen genoegen nemen met “zo is het nu eenmaal” en elkaar vinden in wat voor hen klopt. Het illustreert hoe moed en solidariteit kunnen leiden tot veranderingen die verder reiken dan de directe aanleiding.
Pride (2014)
Een feelgood-klassieker over de verrassende samenwerking tussen twee heel verschillende kwetsbare groepen, en hoe dat tot een sterke beweging uitgroeit. Een ode aan menselijke warmte en het vermogen om elkaar te dragen, ook in tijden van spanning en strijd.
Latin Blood – Homem com H (2025)
Een intiem portret van een artiest die, tegen de achtergrond van een militaire dictatuur, zijn authenticiteit onverschrokken belichaamt. Met vurige passie en creativiteit weet hij – ondanks maatschappelijke druk en repressie – een verrassend groot publiek te bereiken.
Radioactive (2019)
Een inspirerende film over onverzettelijke toewijding om de grenzen van onze kennis te verleggen – tegen scepsis, kritiek en sociale druk in. Een krachtig voorbeeld van hoe wetenschap en verbeelding kunnen leiden tot doorbraken die het leven van miljoenen raken.
Joy – The Birth of IVF (2024)
Een ontroerend verhaal over multidisciplinaire samenwerking, moed en vasthoudendheid om diep menselijke wensen werkelijkheid te maken. Het toont hoe pioniers sociale afkeuring weerstaan en obstakels overwinnen om het wonderlijke te laten ontstaan.
Diagnosis (2019)
Een docuserie over hoe onbekenden wereldwijd hun kennis delen om mensen met ingrijpende en tot dan toe ondoorgrondelijke aandoeningen te helpen. Een ontroerende illustratie van de kracht van collectieve intelligentie en onbegrensde solidariteit.
Thirteen Lives (2022)
Een indrukwekkende verfilming van hoe mensen uit verschillende landen hun krachten bundelen om een ogenschijnlijk onmogelijke reddingsoperatie mogelijk te maken. Een perfecte illustratie van de intensiteit en rijkdom van de omgekeerde oorlog.
The Boy Who Harnessed the Wind (2019)
Het verhaal van een jongen die met niets meer dan kennis, creativiteit en wilskracht zijn gemeenschap van de hongerdood redt. Ook hier staan menselijke vindingrijkheid en samenwerking centraal, maar dan in heel andere omstandigheden.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
Deel 2: Handelingsperspectief
1. Beginnen voor gevorderden
Revolutie door evolutie
Impliceert de term “achterblijvers” niet dat het een doel is dat iedereen richting een nieuwe norm beweegt? Is dit niet nogal dwingend? Er zijn namelijk ook mensen die zich prima voelen met hun leven en opvattingen zoals ze zijn.
“Achterblijver” betekent hier niet iemand die “moet veranderen”, maar iemand die moeilijk of zelfs nooit meebeweegt – en dat is een normaal onderdeel van elk veranderproces.
Een norm kan een feitelijke omschrijving zijn (hoe de meeste mensen zich gedragen) of een voorschrift (hoe je je hoort te gedragen). Bij het principe dat iedereen een goed leven verdient, hoort wel één “voorschrift”: dat je jezelf en anderen een goed leven gunt. Maar hoe iemand dat leven invult is volledig aan zichzelf.
Ter illustratie: het voorschrift rond vrouwenemancipatie is dat mannen en vrouwen gelijke rechten moeten hebben. In de praktijk zijn er door emancipatie steeds meer vrouwen betaald werk gaan doen, waardoor de feitelijke norm van hoe vrouwen zich gedragen veranderd is. Maar hiermee is niet gezegd dat het een doel is dat vrouwen betaald werk doen. Een vrouw die graag vooral met het huishouden en de opvoeding van de kinderen bezig is, staat in haar goed recht. Een man trouwens ook.
Maar is het wel een doel dat we allemaal de opvatting aanhangen dat iedereen gelijke rechten moet hebben? Dat is wel het streven. Maar dat werkelijk iedereen deze opvatting heeft is geen doel op zich. We komen al ver genoeg als een overheersend deel van de maatschappij hiervoor gaat staan. Gelukkig maar, want je kunt niet voorkomen dat er “achterblijvers” zijn. Je kunt niemand dwingen van opvatting te veranderen – dat zou ook haaks staan op respect voor hoe anderen in elkaar steken. Je kunt iemand hooguit proberen te overtuigen – en schadelijk gedrag ten opzichte van anderen zoveel mogelijk proberen te verhinderen.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
2. Fundamentele veranderingen
Zeven levenstaken
Deze zeven levenstaken zouden van niets en niemand afhankelijk zijn behalve van jezelf. Maar wat schiet je ermee op als je je waardigheid onvoorwaardelijk omarmt terwijl je nog steeds aan de eisen van anderen moet voldoen om je rekeningen te kunnen betalen?
Wat je hiermee opschiet is dat je basishouding verandert – en dat werkt door in alles wat je doet. Als je uitgangspunt is dat je net als ieder ander een goed leven verdient en dat je jezelf niet zou moeten forceren om je behoeftes te kunnen bevredigen, ga je je anders tot jezelf en tot anderen verhouden. Je kent je echte behoeftes beter, je spreekt ze eerder uit, en je legt je minder snel neer bij situaties die niet voor je kloppen. Je probeert eerder iets nieuws, omdat je jezelf dat gunt. En wat je jezelf gunt wordt zichtbaarder voor anderen – waardoor zij het je ook eerder gunnen. Wat je uitspreekt kan worden opgemerkt. Wat je niet uitspreekt blijft onzichtbaar.
Het gaat er dus steeds om dat je de ruimte zoekt om te doen wat voor jou klopt. Daarvoor ben je van niets en niemand afhankelijk, ook al hebben sommigen door hun uitgangspositie uiteraard bij voorbaat meer ruimte dan anderen.
Leven in strijd gaat gepaard met angst, maar dat geldt voor afwijken van de norm ook. Afwijken is ook nog eens ongemakkelijk. Wat schiet je hiermee op?
Laten we vooropstellen dat een leven zonder angst niet bestaat. De vraag is alleen wat voor angst, en hoe je je ertoe verhoudt.
Angst voelen we door onze inherente kwetsbaarheid en die van onze dierbaren. Ook de angst voor afwijzing en teleurstelling hoort bij mens-zijn. Gelukkig weerhouden deze angsten ons er meestal niet van om anderen lief te hebben en dingen aan te gaan.
Maar de angst die hoort bij een leven in strijd is anders. Dat is de angst om je niet te redden, om niet genoeg te hebben – terwijl wat we onder “genoeg” verstaan steeds verder opschuift. We worden voortdurend gestimuleerd om meer nodig te hebben, en we hebben ook steeds meer nodig als compensatie voor het forceren dat de maatschappelijke strijd van ons vraagt. Als “genoeg” steeds méér wordt en je vooral op jezelf bent aangewezen, is het moeilijk om je ooit echt veilig te voelen. Daar raken we in gevangen.
Alle zeven levenstaken zijn op hun manier ongemakkelijk, simpelweg omdat we niet gewend zijn om zo in het leven te staan. Maar afwijken van de norm is alleen ongemakkelijk totdat je eraan went. Afwijken van wat voor jezelf klopt – om aan de norm te voldoen – is permanent belastend en vaak schadelijk.
De levenstaken vragen dat we door ons ongemak heen gaan, en dat we onze angst trotseren in plaats van erin gevangen te blijven. “Onze diepste behoeftes uiten” vraagt dat we omgaan met de angst voor afwijzing en teleurstelling, en met de pijn die kan ontstaan als die zich voordoen. Daar staat tegenover dat we een kans maken dat onze diepste behoeftes worden bevredigd. “Vrij geven” vraagt dat we omgaan met de angst dat we niet genoeg zullen hebben. Dat betekent niet dat je, à la Franciscus van Assisi, alles moet weggeven. Niemand heeft er baat bij als je in de knel komt. Maar door dichter bij je echte behoeftes te komen, ga je beter merken wanneer je genoeg hebt – en wanneer er ruimte is om vrij te geven.
De levenstaken vergen dus zeker moed, maar je schiet er veel mee op. Je krijgt jezelf ervoor terug. En je draagt bij aan een wereld waarin strijd niet meer de norm is, een wereld waarin we meer voor elkaar betekenen.
Het belang van de eerste of de eersten die durven meedoen met een beweging of verandering wordt op een leuke en treffende manier geïllustreerd in deze TED-talk van Derek Sivers.
Is vertellen over wat je voor anderen doet geen borstklopperij? Ondergraaft dat het juist niet, in plaats dat het een inspirerend effect heeft?
Iets voor iemand kunnen betekenen is een van de mooiste ervaringen die er zijn. Dan ervaar je dat je het verschil kunt maken in de wereld om je heen. Je voelt je krachtig en verbonden. Het raakt je. Het geeft je energie. Het motiveert je. Het is een verrijking van je leven. En daar zou je niet over mogen vertellen?
Helaas leven we in een cultuur waarin vertellen over je goede daden niet bon ton is. Dan kan aan je oprechtheid worden getwijfeld, omdat je het alleen zou doen om te laten zien hoe goed je bent. Men kan zich ook aan je “morele superioriteit” storen. Terwijl pronken met je dure “lifestyle” of vertellen over je individueel succes wél wordt geaccepteerd. (Lang leve Facebook, Instagram, LinkedIn.) Sterker nog: mensen gaan daardoor tegen je opkijken.
En zo bepalen we wat onzichtbaar – en dus klein – wordt gehouden en wat centraal in ons leven staat.
Maar cultuur is niet onveranderlijk. En in veel gevallen is verandering in cultuur een onlosmakelijk onderdeel van maatschappelijke verandering.
Dat neemt niet weg dat het ongemakkelijk kan voelen om te vertellen over wat je teweeg hebt gebracht bij iemand anders of over de positieve invloed die je ergens hebt gehad. Je kunt bang zijn dat je als te vol van jezelf overkomt. Maar vol van wie anders zou je moeten zijn? Wat is er mis met blij zijn met je kunnen? Dat is juist ontzettend gezond. Het zou pas twijfelachtig zijn als je je daardoor beter dan anderen zou gaan voelen. Maar dit is geen wedstrijd. Dit is blij kunnen zijn met betekenis kunnen vinden in je leven. En anderen kunnen inspireren om hetzelfde te doen.
Ook al doe je dat om een goede reden, op deze manier neem je wel veel ongemak op je bord. Hoe kun je hiermee omgaan?
Ik kan wel zeggen dat wat in eerste instantie ongemakkelijk is, op termijn went, maar je kunt het jezelf natuurlijk wel makkelijker proberen te maken tot het zover is. Een goede manier om met ongemak om te gaan is het te benoemen. En om te benoemen waarom je – ondanks het ongemak – toch belangrijk vindt om te doen wat je doet en om te vertellen wat je vertelt.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
De kunst van het grootbrengen
Ontdekkingsreizen anno nu
Is dit een pleidooi voor thuisonderwijs?
Niet per se. Thuisonderwijs is vooral interessant als het breed ingevuld kan worden – niet alleen letterlijk thuis of alleen met de ouders – en werkelijk met het kind als vertrekpunt – niet alsnog met het curriculum als kader (al kan thuisonderwijs ook worden ingezet om makkelijker of sneller door het curriculum heen te komen). Thuisonderwijs is dus vooral aantrekkelijk als het zich vertaalt in voldoende mogelijkheden voor kinderen om te verkennen en verdiepen wat hen aanspreekt, op hun eigen manier. En als het geen aanslag wordt op de tijd, energie en middelen van de ouders. Anders schiet het zijn doel voorbij. Dan loop je het risico dat de wereld van zo’n kind te klein blijft en dat zijn ouders in een hoop stress belanden. Dat is voor niemand een gezonde situatie.
Dit is dus geen pleidooi voor thuisonderwijs, maar een pleidooi om de ruimte te zoeken om kinderen zo dicht mogelijk bij zichzelf te laten opgroeien en zoveel mogelijk in contact met wat bij hen past. Dat is intensiever dan een kind “zomaar” naar school brengen, maar de ontwikkeling van kinderen verdient prioriteit; het verdient aandacht en investering. Onderwijs is geen terrein waar “efficiëntie” de doorslag moet geven – daar is het veel te belangrijk voor. Maar dit is geen fundamentalistisch pleidooi. Er is niets wat koste wat kost moet. Een geforceerde verbetering is uiteindelijk geen verbetering.
Heeft school niet een belangrijke sociale functie? Zouden kinderen die niet naar school gaan dat niet missen?
Nee en nee. Als je kinderen voor een groot deel van hun tijd op één plek zet, zullen ze daar waarschijnlijk met mensen leren omgaan en vrienden maken. Dat is niet de verdienste van school. Hetzelfde mechanisme treedt zelfs op als je kinderen in een asielzoekerscentrum plaatst. Daar kunnen ze ook vrienden maken. Of niet. Net zoals op school. Sommige kinderen vinden geen aansluiting op school. Voor sommige kinderen houdt de “sociale” kant van school zelfs in dat ze gepest worden.
Als we het hebben over socialisatie in de zin van met mensen leren omgaan en banden aangaan, is school juist een beperking. Op school word je in een arbitraire groep geplaatst – alleen op basis van leeftijd en later ook van “niveau” – en daar moet je het mee doen. Het is nogal dwingend. Het houdt geen rekening met persoonlijke voorkeuren.
Als kinderen – in plaats van naar school – naar plekken gaan om iets te doen waar ze affiniteit mee hebben, is de kans juist groter dat ze daar mensen zullen treffen met wie ze een betere klik hebben. Dat kunnen kinderen van dezelfde leeftijd zijn, of van andere leeftijden, of volwassenen. Contact hoeft verder ook niet altijd in groepsverband plaats te vinden, maar kan ook in een-op-eenrelaties.
Zo is de socialisatievraag – of liever: de connectievraag – ook niet meer “hoe pas ik in een willekeurige groep?” maar “hoe vind ik de groep of de individuen die bij mij passen?”. Deze omkering laat overigens nog voldoende ruimte over om te leren omgaan met mensen die anders zijn dan jij, want die kom je altijd tegen – en zelfs de mensen met wie je een betere klik hebt zijn nog steeds heel anders dan jij.
Is het niet onverantwoord dat een kind geen diploma haalt? Worden zijn toekomstige kansen hierdoor niet onnodig beperkt?
Er valt veel aan te merken op diploma-eisen en de manier waarop diploma’s moeten worden gehaald, maar het valt niet te ontkennen dat de huidige maatschappij erg op diploma’s gericht is. In die zin is het dus handig – of in ieder geval de “veilige optie” – om een schooldiploma te hebben en het liefst ook een afgeronde vervolgopleiding. Dat klinkt inderdaad verantwoord.
Het wordt pas link als je hieruit concludeert dat een diploma koste wat kost gehaald moet worden. Of met andere woorden: als de veronderstelde baten niet worden afgewogen tegen de kosten. Want voor sommige kinderen kunnen de kosten van een diploma te hoog zijn. Als het erg problematisch gaat, kan dit spoor leiden tot emotionele schade (ook tussen kind en ouders), een negatief zelfbeeld en een hekel aan leren. Dat gaat ongetwijfeld ook ten koste van ontwikkelingen op andere fronten, want wie een gevecht aan het leveren is om aan school- en diploma-eisen te voldoen, heeft geen tijd, energie of inspiratie meer om te doen wat wel bij hem past.
Het gaat dus om de juiste balans vinden tussen wat je beoogt en wat de realiteit je laat zien. Als “goed doen voor de toekomst” te veel stress brengt in het heden, valt dus te betwijfelen of de toekomst hier zo van gediend is. Daarnaast zijn deze zaken ook niet zo definitief en dramatisch als de “maatstaffundamentalisten” ons willen doen geloven. Er zijn meer wegen die naar Rome leiden, en een kind dat een gezonde basis heeft is beter in staat om die wegen te bewandelen.
Als je niet de gebruikelijke maatstaven volgt (ontwikkelingsfases, cijfers, diploma’s), hoe weet je dan of het goed met je kind gaat?
Deze vraag suggereert dat “het goed doen” volgens de gebruikelijke maatstaven een teken is dat het goed met je kind gaat. Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Dat een kind het goed op school doet, volgens de maatstaven van het schoolsysteem, hoeft niet te betekenen dat hij gelukkig is – om maar wat te noemen.
Maar hoe weet je dan of het goed gaat?
Je hebt daar een goede indicatie voor als je kind gelukkig overkomt, ontspannen. Als hij zin heeft in zijn dag, zijn eigen interesses heeft (ook al is het op een bepaald moment alleen maar in dinosaurussen) en daar iets mee doet. Als je kind zich vrij voelt om zijn gedachten, gevoelens en wensen te uiten, zonder angst voor oordeel of afkeuring. Als hij zich ontspannen en zelfverzekerd gedraagt in contact met anderen. Oftewel: je merkt het gewoon. Niet altijd meteen – sommige kinderen hebben geleerd om spanning te verbergen – maar als je met aandacht kijkt, zie je het wel. Dit is geen hogere wiskunde. Maar voorspellen hoe het in de toekomst met je kind zal gaan is een onmogelijke taak.
Voor veel kinderen zou het aantrekkelijk kunnen zijn om zich anders tot school te verhouden, maar creëert dit niet een voedingsbodem voor ongelijkheid binnen een school (tussen leerlingen die van hun ouders wel anders met school mogen omgaan en leerlingen die dat niet mogen)?
Ja, deze ongelijkheid kan ontstaan. Maar dit soort ongelijkheid is inherent aan evolutionaire veranderingsprocessen. Verandering vindt helaas niet bij iedereen tegelijkertijd plaats. Overigens bestaat ongelijkheid tussen leerlingen omdat ze verschillende ouders hebben nu al. De ene leerling heeft een smartphone, de andere niet (of een veel goedkopere). De ene leerling draagt merkkleding, de andere niet. En wat in iedere broodtrommel zit verschilt ook nogal. Om maar te zwijgen over ongelijkheid doordat de ene ouder mondiger is dan de andere – en dus eerder verhaal komt halen bij school – of doordat de ene ouder wel kan helpen bij huiswerk en de andere niet.
Als een deel van de ouders relaxter wordt over de schoolprestaties van hun kinderen en hun kinderen ruimte geeft om school vrijer te benutten, kan dat juist ook voor andere leerlingen een positief effect hebben. Het kan het gesprek met andere ouders en met de school voeden. Het kan andere ouders – en leerlingen – op ideeën brengen. Het kan de school tot andere routes doen bewegen. Dat is een voedingsbodem voor meer verandering.
Erg wordt het pas als de school leerlingen anders behandelt. Iets wat nu wel gebeurt. Als je bijvoorbeeld een bepaalde diagnose hebt, zoals dyslexie, autisme of ADHD, krijg je wel meer begrip en begeleiding – en hulpmiddelen of meer tijd om toetsen te maken. Als je gewoon anders in elkaar steekt zonder dat dit in een diagnose wordt vertaald, ligt dit meestal anders, zeker op de middelbare school.
Wordt het niet ingewikkeld om voor een klas te staan waarin een deel van de leerlingen zegt “dit interesseert me niks, ik luister niet naar wat je zegt, ik kom wel wanneer ik zin heb” – met steun en goedkeuring van de ouders? Je maakt dan gebruik van het huidige schoolsysteem voor zover dat niet al te zeer botst met je wensen, maar door er niet volledig in mee te gaan ondermijn je de positie van de individuele docent die zijn best doet voor de klas.
Het ís ingewikkeld om voor een klas te staan waarin een deel van de leerlingen de docent uitdaagt en respectloos behandelt. Daar kunnen docenten in het huidige schoolsysteem alles over vertellen. Dat is het resultaat van een systeem waarin één kant duwt en de andere kant soms terugduwt, waarin één kant oplegt en de andere kant soms rebelleert. Dat is een van de redenen waarom zo’n systeem verleden tijd zou moeten zijn.
Een heel ander verhaal is als ouders hun kinderen naar school sturen met de boodschap dat ze zich – uiteraard op een respectvolle manier – mogen inbrengen. Dat ze mogen vragen waarom ze iets moeten leren, waar ze het voor kunnen gebruiken. Dat ze mogen aangeven als iets voor hen niet werkt, of als ze ergens last van hebben. Dat ze verzoeken en voorstellen mogen doen.
Het is algemeen geaccepteerd dat een leerling mag zeggen dat hij iets niet begrijpt, maar er valt dus nog veel te winnen in de relatie tussen leerling en docent. Die kan veel meer een dialoog worden – een respectvolle dialoog.
Het gaat er niet om dat ouders opportunistisch “het systeem” ondermijnen. Dat kan niet eens, aangezien deelname aan het systeem geen keuze is maar een plicht. Waar het om gaat is dat er – ondanks de schoolplicht – minder in termen van verplichtingen wordt gedacht en meer vanuit (leer)behoeftes, in een omgeving waar ieders behoeftes als even belangrijk worden gezien en behandeld.
Dat leidt tot grensverleggende vragen. Mag een leerling zijn huiswerk niet doen? (Dan is huiswerk een extra mogelijkheid om te oefenen, geen verplichting.) Mag een leerling iets anders doen tijdens een les, zolang hij anderen niet stoort? (Misschien voegt die les voor hem niet veel toe of is op die manier te moeilijk te volgen.) Mag een kind thuisblijven als hij echt geen zin of energie heeft om naar school te gaan, zonder dat hij lichamelijk ziek is? (Misschien moet hij ergens van bijkomen of zich opnieuw opladen.)
Als ouder zoek je daarbij de weg van de minste weerstand. Je stuurt je kind niet naar een zeer traditionele school met de aanmoediging om ruimte voor zichzelf te zoeken. Dan kies je een school die uit zichzelf meer bereid is om deze ruimte te geven. En je neemt samen met je kind verantwoordelijkheid voor de consequenties van zijn keuzes.
Het kan zijn dat het hoe dan ook een beetje schuurt, maar dat beetje schuren is soms nodig voor groei en verandering.
Dat het een goede zaak is als ouders ontspannen zijn zal niet snel betwist worden, maar dat hebben ze toch niet helemaal zelf in de hand? Je hebt nu eenmaal je karakter en het leven vraagt veel van je, wat snel tot stress en overbelasting kan zorgen.
Dat is voor een deel zeker waar. Maar je kunt hier wel aandacht aan besteden. Je kunt aan jezelf werken, je kunt meer aan jezelf denken, je kunt je prioriteiten herschikken, je kunt jezelf meer gunnen. Dit speelt niet alleen in relatie tot werk en andere verplichtingen, maar zeker ook in de omgang met je kinderen. De ontspannen ouder is vaak te verkiezen boven de “perfecte ouder”.
Het is alleen maar gezond dat je kind weet dat je je grenzen hebt, dat sommige dingen je niet lukken of te veel voor je zijn. Je hebt ook niet alles onder controle en kunt niet alles oplossen. Je kunt zeker niet alles “goed doen” in relatie tot je kinderen. Je kunt niet altijd geduld hebben of “de goede reactie” paraat hebben. En soms heb je simpelweg ergens geen zin in. Daarmee bezorg je een kind ook niet meteen een trauma. Als de basis maar goed is.
Ouders kunnen een stuk ontspannener zijn als kinderen meer meedoen in het huishouden. Hoe kan dit volgens deze opvoedingsvisie in de praktijk vorm krijgen?
Deze visie is een pleidooi om kinderen zoveel mogelijk in de echte wereld te laten meedoen en zich erin te laten ontwikkelen. En het huishouden ís echt. Het is de plek waar basisbehoeftes worden bevredigd: eten, schone kleren, een schoon huis (ook al kunnen de meningen verschillen over hoe schoon dat huis moet zijn). Wie alleen woont staat ook in zijn eentje voor deze taken. Je kunt eten afhalen of iemand anders je huis laten schoonmaken, maar dat moet je nog steeds zelf regelen. Als je met meerdere mensen woont, wordt het vanzelf logisch om huishoudelijke taken te verdelen. Het wordt best druk in de keuken als iedereen zijn eigen maaltijd kookt, los van het feit dat werkverdeling – thuis of ergens anders – een heel slimme uitvinding is. Het is efficiënter en het maakt gebruik van de verschillen tussen mensen: de een kan iets beter dan de ander of doet iets liever – of met minder tegenzin – dan de ander. Maar het huishouden blijft een verantwoordelijkheid van iedereen die het met elkaar deelt.
Kinderen kunnen niet alles zelf. Ze hebben de zorg van hun ouders nodig. Maar naarmate ze meer zelf kunnen, hoeven hun ouders minder voor hen te doen. Zo gaat het heel natuurlijk met aankleden, douchen, tandenpoetsen. En zo kan het heel natuurlijk gaan met koken, afwassen, de was doen, schoonmaken, enzovoorts. Zodra kinderen dat kunnen, is het dan vanzelfsprekend dat zij dat ook doen. Ze doen gewoon mee aan de taakverdeling om in de gezamenlijke behoeftes te voorzien. Dat moet niet worden gebracht als een vraag om te “helpen”. Je bent je ouders ook niet aan het helpen wanneer je je tanden poetst.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
De kunst van het groots zijn
De bevrijding van homo economicus
Volgens dit handelingsperspectief moeten we aan de vraagkant van de economie veel aandacht aan ons werk besteden en aan de aanbodkant aan onze consumptie. Is dat niet de omgekeerde wereld?
Vraag en aanbod zijn in werkelijkheid veel minder gescheiden dan de traditionele economie suggereert. Dat nuanceerde ik al in de conceptuele kaders van deze visie.
Aan de vraagkant gaat het uiteraard om consumptie, maar in bredere zin ook om wat we nodig hebben om op ons best te kunnen produceren. Produceren – als we het vrij mogen invullen – is bovendien zelf ook een behoefte.
Aan de aanbodkant gaat het vooral om wat we produceren voor anderen, maar in bredere zin bepaalt onze eigen consumptie hoeveel ruimte zij hebben om aan hun behoeftes toe te komen. Als wij met onze eigen consumptie te veel ruimte innemen – door hoeveel we consumeren of door de omstandigheden die we opleggen aan de mensen die voor ons produceren – blijft er voor anderen weinig ruimte over.
Is het niet een te makkelijk om te stellen dat “je de problemen van je baas niet moet blijven accommoderen”? Veel mensen zijn niet in de positie om hier anders op te reageren.
Het klopt dat niet iedereen in de positie is om invloed uit te oefenen op zijn werkomstandigheden. Dat is betreurenswaardig, maar wel de realiteit. Tegelijkertijd is er meer mogelijk dan nu gebeurt, omdat lang niet iedereen zich in zo’n zwakke positie bevindt.
Denk aan hoe we naar stress op de werkvloer zijn gaan kijken. We zijn het normaal gaan vinden, iets wat er nu eenmaal bij hoort. Vacatures vragen om “stressbestendigheid”, zelfs wanneer het werk niet met crisissituaties te maken heeft. Het is gebruikelijker geworden om een cursus “omgaan met stress” te volgen dan om een structureel te hoge werkdruk te adresseren.
Het gaat er dus om dat we de ruimte zoeken en benutten om ongezonde situaties te voorkomen, in plaats van deze te normaliseren. Soms vraagt het dat we – eventueel samen met collega’s – door onze angsten heen gaan: angst voor conflict en carrièreschade. Dat is niet makkelijk. Maar vast blijven zitten in wat makkelijker lijkt maakt ons leven uiteindelijk niet beter.
Moeten we zoveel mogelijk van kleinere of lokale bedrijven kopen, om op deze manier meer kijk en invloed te hebben op wat en hoe er geproduceerd wordt?
Nee. Dat zou te kort door de bocht zijn. Het gaat er niet om dat we per se bij kleine of lokale bedrijven kopen, maar dat we bedrijven – groot én klein – beïnvloeden om producten te leveren die echt goed bij ons passen en die met oog voor mens en milieu worden geproduceerd. Of dat makkelijker is bij grote of kleine bedrijven valt niet te veralgemeniseren.
Bij kleine of lokale bedrijven is contact met de aanbieder vaak eenvoudiger, soms zelfs met de eigenaar. De productieketens zijn meestal korter, waardoor ze makkelijker te doorzien en te beïnvloeden lijken – al gebeurt dat “doorzien” soms vooral op basis van vertrouwen. Ook is de kans op maatwerk bij kleinere bedrijven meestal groter.
Bij grote bedrijven zijn producten eerder gestandaardiseerd en minder flexibel per klant. Toch kunnen ook zij veranderen wanneer meerdere klanten – eventueel als groep of via een organisatie – andere wensen en eisen blijven uitspreken. Hun productieketens zijn meestal langer en minder transparant, waardoor je sneller afhankelijk bent van certificeringen (zoals Fairtrade, FSC of biologisch) en van hun eigen rapportages. Tegelijkertijd worden grote bedrijven vaker gevolgd door media en ngo’s, wat ook invloed heeft.
Er bestaat dus geen toverformule om een invloedrijke en tevreden consument te zijn. Consumeren is in die zin hard werken. Maar het scheelt veel als je je richt op verbetering, niet op perfectie.
Als we minder gaan consumeren, kan dit niet tot werkloosheid leiden, waardoor sommige mensen het juist moeilijker krijgen?
Volgens de logica van de huidige economie leidt de consumptie van de ene inderdaad tot meer consumptiemogelijkheden bij de ander: wat de één uitgeeft wordt het inkomen van de ander. Maar die redenering heeft wezenlijke beperkingen.
Ten eerste houdt deze redenering geen rekening met de draagkracht van de aarde. Als sommigen afhankelijk zijn van de overdadige consumptie van anderen om aan hun eigen behoeftes toe te komen, dan betaalt de planeet de prijs. Ten tweede gaat deze logica voorbij aan het feit dat overdadige consumptie maar heel beperkt leidt tot meer behoeftebevrediging bij wie het het meest nodig heeft. Mensen die tekortkomen krijgen in de regel slechts een klein deel van de omzet van bedrijven. In dat licht is het idee achter “werk creëren” door overconsumptie een vreemde redenering: het dient de planeet niet, en het helpt mensen die tekortkomen maar mondjesmaat.
De oplossing ligt daarom niet in het in stand houden van overconsumptie, maar in een verschuiving: van overdaad bij de één naar hard nodige consumptie bij de ander. Dat bereiken we door bewust te consumeren – in lijn met onze echte behoeftes, zonder verspilling en onnodige schade – én door wat we niet nodig hebben, of een deel van onze financiële ruimte, vrij te geven aan anderen.
Vrij geven is vaak moeilijk vanwege het taboe op vrij ontvangen. Mensen kunnen het ongemakkelijk vinden om zomaar iets van iemand anders te accepteren, alsof ze hun hand ophouden. Hoe kunnen we dit doorbreken?
In de huidige maatschappij word je inderdaad geacht alles te regelen via economische transacties – via het ruilprincipe. Wie zijn broek niet kan ophouden met tegenprestaties geldt al snel als iemand die tekortschiet. Dat maakt ontvangen beladen en vaak beschamend. Sociale voorzieningen vormen een acceptabele aanvulling op dat ruilprincipe, maar ook daar zien we verschillen: een “rugzakje” voor een kind wordt anders bekeken dan een bijstandsuitkering. Rechtstreeks iets van iemand anders ontvangen is al helemaal taboe. Daardoor vraagt vrij geven vaak ook werk om anderen vrij te kunnen laten ontvangen.
De manier om dit te doorbreken is vrij geven en ontvangen niet te zien als een handeling tussen een sterke gever en een zwakke ontvanger, en ook niet als iets wat verwachtingen voor de toekomst schept. Het wordt een gewone handeling tussen gewone mensen.
Aan deze normalisering draag je bij door het gesprek hierover aan te gaan, door uit te spreken hoe je ernaar kijkt, door te laten merken dat geven voor jou klopt en fijn is, door te vertellen over wat het jou brengt om iemand iets te kunnen geven, en door duidelijk te maken dat je er niets voor terug hoeft.
En minstens zo betekenisvol: je draagt bij aan de normalisering door het oorspronkelijke ongemak voor eigen rekening te nemen en zelf te ontvangen wat je van harte wordt aangeboden. Langzamerhand maakt ongemak dan plaats voor spontaniteit, hartelijkheid en dankbaarheid.
Wat als je geen mensen in je omgeving hebt die steun nodig hebben?
Als je denkt dat de mensen in je directe omgeving geen steun nodig hebben, dan definieer je steun te nauw. Als je steun ziet als alles wat bijdraagt aan behoeftebevrediging, dan heeft iedereen steun nodig – ook mensen die niet op een schrijnende manier iets tekortkomen. De kunst is om economische transacties of “zelfredzaamheid” niet meer als de standaard te zien, en meer open te staan voor wat je voor anderen kunt betekenen. En andersom.
Dat een vriend van je prima in staat is om verhuizers in te huren neemt niet weg dat hij het enorm kan waarderen als je hem helpt met zijn verhuizing of met klussen in zijn nieuwe huis. Een buur die ziek is kan heel blij zijn met een door jou gekookte maaltijd, ook al kan hij eten laten bezorgen. En de aanwezigheid van een leger aan therapeuten, coaches en andere professionals hoeft een openhartig gesprek met een collega of een brainstorm met een vriend niet in de weg te staan.
Misschien denk je dat je op deze manier de mensen die het het meest nodig hebben niet bereikt. En misschien is dat in het begin ook zo. Maar na verloop van tijd verandert dat. Je blik wordt scherper en je blikveld breder, waardoor je steeds meer mogelijkheden ziet. En doordat jij anders handelt kunnen anderen jouw voorbeeld volgen – waardoor uiteindelijk meer mensen bereikt worden, inclusief degenen die het het meest nodig hebben. Zo ontstaat gaandeweg een andere norm, en wordt het stigma rond het accepteren van hulp doorbroken. Hulp wordt steeds meer het domein van verbondenheid en minder van “zieligheid”.
De aanname achter dit betoog is dat vrij geven bevorderend is voor een gevoel van zingeving en verbondenheid. Maar wat als de hulpvragen die je bereiken je niet zinvol lijken of als je je er niet voldoende mee verbonden voelt?
Om te beginnen is terughoudendheid op haar plaats bij het bestempelen van een hulpvraag als “niet zinvol”. In de regel weet de vrager beter dan jij wat voor hem belangrijk en zinvol is. Het blijft daarom verstandig om dit soort zaken niet voor een ander in te vullen. Je kunt er hooguit over in gesprek gaan.
Dat gezegd hebbende, moeten we niet vergeten dat vrij geven per definitie vrijwillig geven is. Niet uit plichtsgevoel, niet uit ongemak en zeker niet met tegenzin. Als een verzoek niet bij je past, kom je daar – met een empathische reactie – niet aan tegemoet. Het klinkt misschien als een cirkelredenering, maar als een vraag je niet raakt, zul je waarschijnlijk ook geen enthousiasme, verbondenheid of bevrediging voelen als je eraan voldoet. Net zoals eten dat je niet aantrekkelijk lijkt je waarschijnlijk ook niet zal smaken.
Maar als je jezelf toestaat om te doen wat voor je klopt, is de kans groot dat vrij geven je juist veel brengt. Deze TED-talk van Elizabeth Dunn is een mooie illustratie van hoe dat mechanisme werkt.
Verder lezen of terug naar de inhoudsopgave
3. Tot voorlopig slot
Naar een wereld waar iedereen voluit leeft
We zijn niet allemaal briljante wetenschappers of inspirerende activisten, maar dat maakt ons leven niet minder bijzonder. En dat brengt me op meer filminspiratie.
Dead Poets Society (1989)
Voluit leven via zelfexpressie, dankzij een inspirerende leraar.
Billy Elliot (2000)
Voluit leven via artistieke expressie, ondanks hardnekkige vooroordelen, dankzij de steun van een bondgenoot.
The Full Monty (1997)
Weer voluit leven door hernieuwde aansluiting bij je directe omgeving, via een onconventionele route.
The Full Monty (1997)
Weer voluit leven door hernieuwde aansluiting bij je directe omgeving, via een onconventionele route.
I Swear (2025)
Voluit leven ondanks een ontwrichtende ziekte, in een vaak onbegrijpende, soms zelfs vijandige omgeving, dankzij de steun van bondgenoten.
The Reason I Jump (2020)
Voluit leven ondanks ingrijpende beperkingen, dankzij aandacht voor specifieke behoeftes.
Good Will Hunting (1997)
Voluit leven via zelfinzicht, dankzij de steun van een onconventionele therapeut.
October Sky (1999)
Voluit leven door aangewakkerde uitvindingsdrang, met steun van bondgenoten en uiteindelijk van een hele gemeenschap.
Central do Brasil (1998)
Weer voluit leven door een onverwachte verbondenheid met een andere mens, ondanks een schrijnend harde omgeving.
The Outrun (2024)
Voluit leven na een zelfdestructieve eerste poging, via een terugkeer naar jezelf en de natuur.
The Intouchables (2011)
Weer voluit leven ondanks een levensbepalende tegenslag, door een onverwachte verbondenheid met een andere mens.
The Shawshank Redemption (1994)
Weer voluit leven via vindingrijkheid en een ongelofelijke vasthoudendheid, met steun van een lotgenoot.
A Man Called Ove (2015)
Weer voluit leven door een onverwachte opening naar je directe omgeving.
Hotell (2013)
Weer voluit leven na een traumatische gebeurtenis, via een terugkeer naar jezelf en een onconventionele route.
Brassed Off (1996)
Weer voluit leven door de kracht van een hechte gemeenschap, via een gezamenlijke passie.
Erin Brockovich (2000)
Voluit leven via een vastbijtende inzet voor een groep mensen, aangewakkerd door een diepe betrokkenheid.
The Biggest Little Farm (2018)
Voluit leven vanuit een droom, met veel vindingrijkheid en steun van medewerkers en vrijwilligers, met een natuur die soms terugduwt en soms meebeweegt.
Elephant Whisperers (2022)
Voluit leven via verbondenheid met de gemeenschap, hulpbehoevende dieren en de natuur.
Radical (2023)
Voluit leven door anderen voluit te laten leven, met betrokkenheid, openheid en groeiende betekenis heen en weer – ondanks, of juist door, de zware omstandigheden.
Tot zover het gesprek. Vooralsnog.
De kopfoto van deze pagina is van Emmanuel Ikwuegbu, waarvoor veel dank.